Hun “imperium” begint al bij Antonius Leenaars. Hij was aanvankelijk schoenmaker, maar was bij het 2e kind al “Debitant in de Loterij”. Daarnaast was hij ook cipier bij het huis v bewaring, maar stond later eveneens als slager/slachter bekend. Hij woonde met familie in de Lievevrouwestraat B25( nu naast nr 47). Het pand is gesloopt voor de bouw van de gemeentelijke tekenschool. Getrouwd met een dochter van een Italiaanse schoorsteenveger en een Nederlandse moeder woonde hij op diverse plaatsen in de stad, vooraleer hij zich uiteindelijk vestigde als slager op het adres Molstraat A 48 ( het huidige nr 20). Zoon Franciscus, die trouwde met Adriana Koolen, ging op 22 jarige leeftijd een eigen zaak beginnen op Wouwschestraat H 48 ( nu nr 34.). Omdat zijn vrouw al overleed in 1909 en hijzelf in 1915 werd de zaak voortgezet door zijn dochter Johanna Catherina, die met Piet Hazen was getrouwd. Deze zaak is in 1975 voortgezet door hun zoon Pierre, maar beëindigd in 1979 aangezien er geen verdere opvolging was.
Franciscus zoon Frans, getrouwd met Johanna Crusio, was inmiddels ook een eigen slagerij begonnen op 14 oktober 1910 in de Steenbergsestraat 44( B 176), nadat hij in Antwerpen meer van het vak had geleerd. De zaak aan de Steenbergsestraat was in aanvang zowel varkens als rundslagerij ( vleeshouwerij).
In 1946 ( Leenaars-de Bruijn) en 1974 ( Leenaars – Gabriëls) ging de familiezaak over van vader op zoon, de heren waren dan al enige tijd mede werkzaam in de slagerij. Verbouwingen waren mede bepalend voor de visuele kijk op de zaak. Een grote verbouw in 1952 bracht zelfs een geheel nieuwe pui tot stand, die in 1965 werd herhaald. De grote verbouw in 1952 zorgde zelfs voor een unicum in Bergen op Zoom….bij de firma werd de eerste koeltoonbank in de stad geïnstalleerd. In deze jaren kwam uit Duitsland steeds vaker het verpakte vleesbeleg overwaaien, dat tot nu toe door de kruideniers aangeboden werden. Dit bracht een nieuwe ontwikkeling te weeg, waardoor er worsten werden gemaakt en kleiner en fijner materiaal werd aangeboden. Denk b.v. aan leverworsten, harde worsten, boterhamworst e.d.
Vermeldenswaardig zijn de deelnames aan de paas-etalages ( tot halverwege de 60-er jaren), wat dikwijls nachtwerk was. De stukken werden geheel uit vet en stearine gevormd en versierd of aangekleed met allerhande artikelen, waarbij de vrouw van de slager veel handwerk verrichtte. Ook werden regelmatig thema’s uitgebeeld. Sinds 1965 werd ook intensief deelgenomen aan de Krabbenfoor……ook dit was erg vaak zeer vermoeiend, maar wel dankbaar werk.
1985 etalage bij 40 jaar bevrijding
De laatste Frans Leenaars ( 4e generatie) kreeg door een moderne opleiding de mogelijkheden om producten uit te proberen en behaalde met verschillende artikelen ( o.a. Bergse Leverworst), zowel nationaal als internationaal, hoge prijzen. Zodoende werd hij ook uitgenodigd om in diverse vakjury’s deel te nemen. Een van zijn genietingen was de kunst om een “kadaver” te herkennen aan de structuur van het vlees. Het verschil is voor een leek nauwelijks te zien of te proeven, maar of het een Roodbonte koe of een Zwartbonte was kon hij aan die structuur bepalen en daardoor had hij ook immer een constante, hoge kwaliteit vlees.
In 1997 namen hij en zijn vrouw afscheid van hun zaak aan de Steenbergsestraat 44, want zijn oudste zoon zag niets in een leven als slager, een andere was nog jaren te jong en er was dus geen opvolging. De zaak werd overgenomen en voortgezet door de fam. Wisse.